5.1.2. Rekenen en wiskunde.
Ook hier bent u thuis al mee begonnen. U hebt ze al veel begrippen aangeleerd.
Je mag vandaag twee snoepjes pakken; Hoeveel eendjes staat er op dit plaatje?
Waar liggen meer blokken? Ik heb minder vlokken op mijn brood dan jij.
Hoeveel jaar ben je? Steek je vingers maar op. Vol trots steekt uw kind drie vingers op. Zoveel. Hoeveel stiften liggen hier? Tel ze maar. Nog drie nachtjes slapen en dan ben je jarig.

In de kleutergroepen gaan we hiermee verder. Op een speelse, maar wel doordachte manier. Kinderen leren begrippen als meer, minder, evenveel, groter, kleiner, erbij, eraf, groter, kleiner. Begrippen die met hoeveelheden, vergelijken, ordenen en rangschikken te maken hebben.
Ze leren ook tellen. Veel kinderen kunnen de telrij tot 10 al opzeggen, maar tellen en aanwijzen tegelijk is wat moeilijker.

Vanaf groep 3 gebruiken we de methode Pluspunt.
Het gaat eerst om het hoeveelheidbegrip, maar we gaan ook al optellen en aftrekken, de plaats in de getallenrij.
We bieden de leerstof aan met behulp van thema's, die passen bij de belevingswereld van het kind.
We werken ongeveer drie weken met zo'n thema. In die drie weken wordt de leerstof van het vorige blok herhaald, nieuwe leerstof aangeleerd en een aantal onderdelen van het volgende blok worden al in de week gelegd.
Kinderen moeten veel probleempjes oplossen, samen overleggen, oplossingen uit proberen, antwoorden met elkaar vergelijken.
In groep 4 werken we op dezelfde manier. Nu gaat het om de getallen tot 100. De eerste tafels komen erbij, maar ook klokkijken, meten en wegen, geld.
In de volgende groepen wordt de stof steeds verder uitgebreid. We blijven werken met thema's. Maar nu komen er vermenigvuldigingen en delingen bij, breuken, verhoudingen, procenten, schaalberekening, metriek stelsel, coördinaten, positieve en negatieve getallen.
Aan het eind van groep 8 kunnen kinderen rekenopgaven oplossen, waar veel ouders de nodige moeite mee hebben.
Design en realisatie: TechnoCare